Samen leren klinkt eenvoudig zolang het over ambities gaat. Het wordt concreet zodra je moet beslissen wie de methode ontwikkelt, welke werkgever mensen beschikbaar stelt en wie een ontbrekende urenregistratie achterhaalt. Bij SLIM voor samenwerkingsverbanden horen die afspraken al bij de voorbereiding. Eén penvoerder dient de aanvraag in, maar iedere partner moet daadwerkelijk werk uitvoeren.
Deze gids gaat over SLIM mkb voor samenwerkingsverbanden, ook SLIM SAM genoemd. Dat is de route voor een gezamenlijk leer- en ontwikkelproject. De collectieve SLIM-scholingssubsidie is een andere route, met andere aanvragers en voorwaarden.
Stand 13 oktober 2026: het aanvraagtijdvak van 22 juni tot en met 20 juli 2026 is gesloten. Het budget was overvraagd; UVB heeft de behandelvolgorde door loting bepaald. Een plek op de lotingslijst is geen subsidietoekenning. Gebruik deze gids om een volgende aanvraag voor te bereiden en controleer een nieuwe openstelling bij UVB. Neem eerdere jaardata niet over in je planning.
1. Bepaal eerst wat je samen gaat veranderen
Een samenwerkingsaanvraag moet minimaal activiteit C bevatten: ondersteuning en begeleiding bij het ontwikkelen of invoeren van een leer- en ontwikkelmethode. Je mag daar doorlichtingen van ondernemingen (A) en loopbaan- of ontwikkeladviezen (B) aan toevoegen. Alleen samen ontwikkelplannen laten schrijven of loopbaanadviezen inkopen is voor deze route onvoldoende.
Begin met één zin die iedere partner kan onderschrijven: “Wij ontwikkelen en voeren een werkwijze in waarmee [medewerkers] op [terugkerende momenten] leren om [werkvraagstuk] beter uit te voeren.” Werk daarna uit welk deel gezamenlijk is en wat elk bedrijf in de eigen praktijk invoert. Bij twijfel over de activiteit helpt de uitleg over ontwikkelplannen binnen SLIM.
Fictief voorbeeld: drie installatiebedrijven willen dat monteurs hun kennis over het analyseren van storingen beter overdragen. Ze ontwikkelen samen praktijkopdrachten en een werkwijze voor nabesprekingen. Bedrijf A verzamelt en beschrijft de werksituaties, B beproeft de aanpak met begeleiders en C onderzoekt hoe de leerafspraken in het werkoverleg kunnen terugkomen. Alle drie voeren de uiteindelijke methode in. Zo heeft iedere partner een herkenbare bijdrage en hoeft niet ieder bedrijf hetzelfde ontwikkelwerk te doen.
Leg vooraf vast waaraan je een bruikbaar resultaat herkent. In dit voorbeeld kun je tijdens de proefuitvoering bijhouden welke opdrachten zijn gebruikt, of begeleiders met de werkwijze uit de voeten kunnen en welke aanpassingen nodig zijn. Benoem ook wie na afloop de opdrachten actualiseert. Een platform of handboek opleveren is niet voldoende om te laten zien dat de methode in het dagelijks werk wordt gebruikt.
2. Controleer de partners voordat je werk verdeelt
Het samenwerkingsverband bestaat uit ten minste twee mkb-ondernemingen die niet met elkaar verbonden zijn. Een tweede bv binnen dezelfde groep is dus niet zonder meer de onafhankelijke tweede partner die je nodig hebt. Laat bij twijfel de eigendoms- en bestuursrelaties beoordelen voordat je de samenwerking vastlegt. Andere organisaties kunnen aansluiten, maar vervangen de twee vereiste mkb-ondernemingen niet.
Maak voor iedere beoogde partner een korte intake met de volgende gegevens:
- De juiste entiteit: juridische naam, KvK-nummer, vestiging, tekenbevoegde en de medewerkers op wie het project zich richt.
- De uitvoeringsbijdrage: een concrete activiteit, beschikbare mensen, uren en een eigen resultaat. Alleen meetekenen is onvoldoende.
- De financiële positie: geraamde kosten, eigen financiering en eerder ontvangen de-minimissteun. De-minimis is het kader voor beperkte staatssteun; de beschikbare ruimte moet per betrokken onderneming worden gecontroleerd.
- Eerdere SLIM-projecten: noteer ook of de subsidie al is vastgesteld. Een lopend of nog niet vastgesteld project voor A of C kan een nieuwe aanvraag blokkeren.
- Andere aanvragen: controleer deelname in hetzelfde aanvraagtijdvak. Voor gewone ondernemingen geldt maximaal één aanvraag per tijdvak, ook als partij in een samenwerkingsverband. Voor onder meer brancheorganisaties, onderwijsinstellingen en O&O-fondsen bestaan uitzonderingen.
Laat iedere partner de gegevens controleren in plaats van ze uit een oud dossier over te nemen. Twee keer een handelsnaam invullen kan verbergen dat je feitelijk met dezelfde entiteit werkt. Ook een verschoven taakverdeling kan invloed hebben op de begroting en de subsidievoorwaarden.
3. Geef de penvoerder tijd, bevoegdheid en toegang
De penvoerder is de hoofdaanvrager. Dat kan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging zijn, mits deze aan de definities van de regeling voldoet. De andere partijen machtigen deze organisatie om hen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
De penvoerder is bovendien verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partners. Kies daarom niet automatisch de partij die toevallig een adviseur kent. Kies een organisatie die besluiten kan bewaken, stukken kan opvragen en ontbrekende informatie op tijd kan herstellen.
| Rol | Afspraak die je vooraf maakt |
|---|---|
| Penvoerder | Beheert het aanvraag- en projectdossier, bewaakt termijnen en coördineert contact met UVB. |
| Projectleider | Verbindt de werkzaamheden van partners, beoordeelt voortgang en legt besluiten vast. |
| Contactpersoon per partner | Levert resultaten en bewijsstukken aan en meldt uitval of vertraging. |
| Financieel verantwoordelijke | Controleert kosten, betalingen, urenonderbouwing en de verdeling van financiering. |
| Accountant | Bespreekt vroeg welke inrichting nodig is voor de uiteindelijke controleverklaring. |
Deze rolverdeling is een praktisch voorstel; niet iedere rol vraagt een afzonderlijke medewerker. Spreek wel een vervanger af. Een aanvraag mag niet stilvallen omdat alleen één persoon toegang heeft tot het dossier.
4. Maak één begroting met een uitsplitsing per partner
Voor een samenwerkingsproject geldt een ondergrens van € 210.000 aan subsidiabele kosten. UVB noemt een minimumsubsidie van € 125.000 en een maximum van € 500.000 per aanvraag. Begroot op basis van het benodigde werk, niet door ontbrekende posten te verzinnen om de ondergrens te halen. Een kleiner project kan reden zijn om de individuele route te onderzoeken.
Voor A en C bedraagt de subsidie 60% van de daarvoor subsidiabele kosten. Voor B geldt € 700 per afgerond adviestraject. De verplichte controleverklaring kent een afzonderlijke vaste vergoeding van € 3.000. Zet deze onderdelen apart in het officiële begrotingsformat; pas niet één percentage toe op iedere post.
Controleer vervolgens twee verschillende verdelingen. Geen partner mag meer dan 80% van de samenwerkingskosten dragen. Daarnaast mag volgens artikel 2.22 geen partij aanspraak maken op € 200.000 of meer subsidie. Begroot dus niet precies € 200.000 voor één partner. Voor landbouwbedrijven geldt een maximum van € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. Ook de beschikbare de-minimisruimte kan het bedrag beperken.
Voor A en C onderscheid je toegestane externe kosten, directe loonkosten voor projectuitvoering en de voorgeschreven toeslag van 15% op die kosten. Gewone opleidingskosten, btw en loonverlies door deelname aan activiteiten zijn uitgesloten. Als een samenwerkingspartner werk uitvoert, kun je diens commerciële factuurtarief niet als externe advieskosten opvoeren: daarvoor gelden de regels voor directe loonkosten. Controleer dit ook bij bestuurlijke, financiële of andere banden met een leverancier.
Bij externe opdrachten boven € 50.000 moet je rekening houden met de voorgeschreven offerte- of aanbestedingsprocedure. Voor externe adviseurs kent de regeling een uitzondering op de offerteprocedure en een subsidiabel maximumuurtarief van € 135 exclusief btw. Bespreek vóór opdrachtverlening welke categorie van toepassing is en bewaar de onderbouwing.
Fictief verdeelvoorbeeld: wat draagt elke partner?
Onderstaande tabel is uitsluitend een verdelingsvoorbeeld voor de A/C-grondslag. De bedragen zijn fictief en worden verondersteld subsidiabel te zijn, inclusief de toepasselijke toeslag. Het is geen volledige aanvraagbegroting: activiteit B en de afzonderlijke vergoeding voor de controleverklaring zijn buiten deze tabel gehouden.
| Partner | A/C-grondslag | 60% subsidie | 40% eigen aandeel |
|---|---|---|---|
| Bedrijf A | € 120.000 | € 72.000 | € 48.000 |
| Bedrijf B | € 100.000 | € 60.000 | € 40.000 |
| Bedrijf C | € 80.000 | € 48.000 | € 32.000 |
| Totaal | € 300.000 | € 180.000 | € 120.000 |
Bedrijf A draagt in deze verdeling 40% van de grondslag, B ongeveer 33% en C ongeveer 27%. Geen partner zit boven de 80%-grens of op de grens van € 200.000 subsidie. Dat bewijst nog niet dat de aanvraag voldoet: je moet onder meer de kosten zelf, de activiteiten, de sectorgrenzen en de staatssteunruimte onderbouwen.
Maak naast de begroting een kasplanning. Wanneer worden leveranciers betaald, wie schiet kosten voor en wanneer wordt een voorschot doorbetaald? De regeling maakt een voorschot van 25% bij verlening mogelijk. Bij projecten langer dan twaalf maanden kan daar na indiening van het tussentijdse voortgangsverslag 50% van de verleende subsidie bij komen. Ga uit van de voorschotafspraken in de beschikking. Het eigen aandeel in de subsidiegrondslag is niet hetzelfde als het volledige bedrag dat je tijdelijk of blijvend zelf moet betalen.
5. Leg de samenwerking vast voordat iedereen tekent
De aanvraag vraagt om een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst, een schriftelijke machtiging van de hoofdaanvrager en een begroting waaruit de kostenverdeling blijkt. Controleer bij iedere organisatie wie rechtsgeldig mag tekenen.
Gebruik de overeenkomst ook om de uitvoering bestuurbaar te maken. De volgende afspraken zijn praktische aanvullingen op de subsidievereisten:
- Werk en oplevering: welke activiteit en welk resultaat levert iedere partner, en wie accepteert de oplevering?
- Geld: wie draagt de eigen bijdrage, betaalt leveranciers en ontvangt welk deel van een voorschot?
- Bewijs: welke stukken levert elke partner aan, in welk format en op welke interne deadline?
- Besluiten: wie mag een opdracht aangaan, een begrotingswijziging voorstellen of namens het verband reageren?
- Tegenvallers: hoe verdelen jullie kosten als subsidie lager uitvalt, een post wordt afgekeurd of een partner afhaakt?
- Gebruik na afloop: wie beheert de methode en welke gebruiksrechten hebben de partners? Stem dat af op het verbod om een initiatief met commerciële verkoopdoeleinden te ontwikkelen.
Een afspraak tussen partners verandert de voorwaarden van UVB niet. Je kunt bijvoorbeeld intern afspreken wie een financiële tegenvaller draagt, maar daarmee wordt een niet-subsidiabele uitgave nog niet subsidiabel.
6. Controleer één compleet aanvraagdossier
Laat de penvoerder één definitieve versie verzamelen. Voor de algemene voorbereiding kun je ook het stappenplan voor SLIM aanvragen gebruiken; hieronder staan de stukken en controles voor het samenwerkingsverband. Gebruik de actuele UVB-formats voor samenwerkingsverbanden. Het dossier bevat:
- het gezamenlijke activiteitenplan en de begroting met kostenverdeling;
- de ondertekende samenwerkingsovereenkomst en machtiging van de hoofdaanvrager;
- een de-minimisverklaring van iedere partner;
- een mkb-verklaring van iedere partner die een mkb-onderneming is;
- bewijs dat de opgegeven bankrekening op naam van de aanvrager staat;
- de vereiste bevoegdheden voor degene die de aanvraag daadwerkelijk indient.
Voor SLIM SAM 2026 gebruikt UVB eHerkenning niveau 3. Bij indiening door een intermediair is ook de juiste ketenmachtiging nodig. Controleer bij de voorbereiding van een volgend tijdvak de dan geldende toegangseisen in het subsidieportaal. Een ondertekende samenwerkingsovereenkomst en digitale toegang tot het portaal lossen ieder een ander onderdeel van de bevoegdheid op.
Doe vóór indiening een inhoudelijke kruiscontrole: staan in alle stukken dezelfde entiteiten, bedragen, activiteiten en looptijd? Is elke partner terug te vinden in zowel het plan als de begroting? Is de evaluatie beschreven? Laat daarna iemand die de stukken niet heeft opgesteld de aanvraag nalopen. Bewaar de ingediende bestanden en ontvangstbevestiging bij elkaar.
7. Organiseer de verantwoording vanaf de start
De reguliere projectduur is maximaal 24 maanden. De subsidiabele initiatiefperiode begint de dag na dagtekening van het verleningsbesluit. Aanvragen is dus nog niet het startsein om subsidiabele werkzaamheden uit te voeren. Stem de opdrachten en personeelsplanning op de beschikking af.
Richt per partner en activiteit een dossier in met resultaten, urenonderbouwing, opdrachtbevestigingen, facturen en betalingen. Plan bijvoorbeeld maandelijks een korte controle: is het werk geleverd, klopt het met de begroting en is het bewijs compleet? Die maandelijkse controle is een werkafspraak, geen afzonderlijke wettelijke rapportageplicht.
Duurt het project langer dan twaalf maanden, dan moet uiterlijk acht weken na de eerste twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag worden ingediend. Na de initiatiefperiode volgt binnen 22 weken het verzoek tot vaststelling. Voor deze samenwerkingssubsidies horen daar een evaluatieverslag en controleverklaring bij. Plan het werk van de accountant ruim vóór die laatste deadline.
Valt een partner uit, verandert het plan of blijkt een belangrijk resultaat onhaalbaar, bespreek dit meteen met UVB en dien waar nodig een wijzigingsverzoek in. Controleer opnieuw of er nog voldoende mkb-partners zijn, of de kostenverdeling klopt en of het project inhoudelijk uitvoerbaar blijft. Een ontbrekende partner vervangen is geen administratieve naamswijziging.
Je hebt een werkbaar vertrekpunt wanneer iedere partner dezelfde vier vragen kan beantwoorden: wat leveren wij, wat betalen wij, welk bewijs bewaren wij en wie beslist bij een tegenvaller? Vul pas daarna de laatste details van de aanvraag in. Juist die afspraken bepalen of het gezamenlijke leerproject na toekenning ook uitvoerbaar is.
Veelgestelde vragen
Kunnen twee bedrijven uit dezelfde groep samen SLIM aanvragen?
Twee verbonden bv’s vormen niet zonder meer de vereiste twee onafhankelijke mkb-partners. Controleer de eigendoms- en bestuursrelaties en laat twijfelgevallen beoordelen voordat je het samenwerkingsverband vastlegt.
Mag het gezamenlijke project alleen bestaan uit loopbaanadviezen?
Nee. Een samenwerkingsproject moet minimaal activiteit C bevatten: het ontwikkelen of invoeren van een leer- en ontwikkelmethode. Doorlichtingen en loopbaan- of ontwikkeladviezen kunnen daaraan worden toegevoegd.
Wie bewaart de administratie van het samenwerkingsverband?
De penvoerder is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partners. Spreek af welke resultaten, uren en financiële stukken iedere partner aanlevert en zorg dat de penvoerder het complete dossier kan controleren.
Kun je de samenwerking na indiening nog wijzigen?
Een partner toevoegen, vervangen of laten uitvallen moet aan UVB worden voorgelegd. Een wijziging kan gevolgen hebben voor de samenstelling, activiteiten en kostenverdeling. Ga niet uit van automatische instemming.
Bronnen en controle
Inhoud gecontroleerd op 13 oktober 2026 aan de hand van onderstaande bronnen. Regels en informatie kunnen veranderen.
Bekijk de bronnen (15)
- SLIM-regeling: hoofdstuk 2, actuele geconsolideerde tekst
- UVB: SLIM mkb 2025–2029
- UVB: aanvraagprocedure en aanvraagcriteria
- UVB: verplichte formulieren en begrotingsformat
- UVB: uitvoeren en voortgang verantwoorden
- UVB: einddeclaratie, evaluatie en controleverklaring
- UVB: eHerkenning 3 en ketenmachtiging (tijdvak later gewijzigd)
- Staatscourant: definitief aanvraagtijdvak samenwerkingsverbanden 2026
- Staatscourant: invoering loting voor samenwerkingsverbanden
- UVB: uitkomst loting SLIM SAM 2026
- UVB: vragen en antwoorden samenwerkingsverbanden (februari 2026; deels verouderd)
- Staatscourant: wijzigingen SLIM vanaf 2025
- MRK ONE: samenwerkingssubsidie (gelezen ter vergelijking)
- SubCode: samenwerkingsverband (gelezen ter vergelijking)
- OneDayBuild: samenwerkingsverbanden onderbouwen (gelezen ter vergelijking)